SprintSprint omvat alle evenementen tot en met de 400 m, ook de 400 m horden. Het grote verschil met andere principes is, dat men bij een sprint geen gelijke snelheid moet hebben. Bij een grotere afstand moet de atleet zijn energie gelijkmatig verdelen. Binnen de sprint wordt er vooral aandacht besteed aan de 60 m, 100 m, 200 m en 400 m.

Bij een sprint gaat je lichaam gebruik maken van anaerobe processen om onze spieren te voorzien. Tijdens de eerste seconden gaan je spieren je voorraad ATP opgebruiken. Dan treedt het fosfaatsysteem in werking, maar dit is ook beperkt. Daarna gaat je lichaam aanspraak maken op je vetten en suikers, die de spieren kunnen voorzien. Dit proces kan niet lang worden onderhouden, vandaar dat ons lichaam dit proces slechts gebruikt bij een sprint. Wanneer je dit proces te fel activeert, zullen je spieren al snel verzuren (lactaat). Het lactaat dat zich in de spier opgestapeld heeft, zal zich in de bloedbaan verspreiden. De lever breekt dit lactaat af. Na twee of drie uur rust is het lactaatgehalte genormaliseerd.

In principe behaalt de 400 m loper de beste resultaten wanneer hij een gelijkmatig tempo aanhoudt. Boven een bepaalde snelheidsgrens treedt er melkzuur op. Het is dus aanbevolen de eerste 200 m sneller te lopen dan de tweede schijf. In het algemeen is de eerste 200 m de snelste. De eerste volgt. Volgens het boekje moet een loper, de eerst 200 m een seconde trager lopen, dan waar hij in staat toe is. De tweede moet anderhalve seconde trager zijn.

De loopsnelheid wordt bepaald door twee factoren: de paslengte en de pasfrequentie. Een vergroting van de paslengte kan een negatieve invloed hebben op de pasfrequentie. De paslengte is weer afhankelijk van de lengte van je benen en van de kracht die je tegenover de grond uitwerkt. Een grotere paslengte wordt soms zodanig onnatuurlijk dat ze een remmend effect heeft, vooral wanneer je te kleine passen neemt. Daardoor komt de voet vóór het zwaartepunt van je lichaam. De kracht tegen de grond verhogen, zal blijvende effecten hebben. Het zwaartepunt wordt daardoor naar voren verplaatst en heeft een grotere paslengte als gevolg.

Iedere sprint telt vijf fases: de start, versnelling, topsnelheid, vertraging en de aankomst. Hoe lichter je bent, hoe makkelijker je uit de startblokken komt, dat is logisch. Hoe harder je op de startblokken duwt, hoe groter de tegengestelde reactie. Zo kom je sneller op gang. Professionele atleten moeten hun kracht daardoor verbeteren, zonder gewichtstoename. Spieren zijn zwaarder dan vet, dit is dus niet evident. Dit is alweer een verschil tussen de vrouw en de man. De vrouw kan een snellere reactietijd hebben, ze heeft minder kracht dan de man en loopt dus een achterstand op.

De atleet moet tegelijk met het been dat tegen het achterste blok steunt, zijn tegengestelde arm naar voren zwaaien. Dit zorgt ervoor dat de druk toeneemt op het voorste startblok. Dit heeft als gevolg dat de stand van de startblokken van atleet tot atleet verschillend is. Bij de start is je snelheid het grootst. De luchtweerstand zorgt ervoor dat je niet langer dan een paar seconden je topsnelheid kan aanhouden. Daarna vertraag je weer. Iedereen vertraagt automatisch. Het verschil tussen de besten en de minder goeden, is dat de besten een kleinere vertraging hebben.

De vijand in dit hele gebeuren, naast ongunstige weersomstandigheden, is de spanning. Gespannen spieren leiden tot energieverlies en zijn uiterst kwetsbaar. Volgens een Russische wetenschapper speelt de ontspanning een zeer grote rol. Op de 60 m zou ontspanning 21,6 % prestatiebepalend zijn, op de 200 m zou dit zelfs 48,3 % zijn. Een ontspannen sprinter is zich nauwelijks bewust van zijn snelheid, zijn bewegingen zijn licht en vloeiend. Je ontspannen is trainbaar. Je moet je inspannen om je te ontspannen.

Er is een groot verschil tussen een sprint op een rechte lijn en een sprint met bocht. Als je in een bocht sprint word je onderworpen aan de middelpuntzoekende kracht. Om deze tegen te gaan moet je naar binnen leunen. Hoe kleiner de straal, hoe groter de middelpuntzoekende kracht. Dus hoe meer je naar binnen moet leunen om je snelheidsverlies tegen te gaan.

Op 31 mei 2008, liep de 21-jarige Jamaicaan Usain Bolt in New York een nieuw wereldrecord op de 100 m sprint. Hij liep deze afstand in 9’72’’. Hiermee loopt hij twee honderdsten beter dan het vorige wereldrecord. Op acht augustus verbeterde hij zijn eigen wereldrecord met een tijd van 9’69’’! Bij ons behaalde Kim Gevaert een mooie tijd van 11’05’’. Usain behaalde niet alleen voor de 100 m een wereldrecord, maar deed dit ook voor de 200 m. Deze keer met een mooie tijd van 19’30’’. Florence Griffith-Joyner deed dit in 21’34’’. Michael Johnson behaalde op de 400 m zijn wereldrecord met een tijd van 43’18’’. Marita Koch behaalde een tijd van 47’60’’.