Oorsprong

Marathon oorsprong en trainingPhidippides, een Griekse koerier, snelde in het jaar 490 v.C. van Marathon naar Athene. De Atheners hadden de Perzen verslagen. Hij ging de overwinning melden. Daar viel hij dood neer, na het verkondigen van zijn boodschap. Of dit wel echt is gebeurd, wordt betwist. De officiële afstand werd voor het eerst gelopen bij de derde Olympische spelen in Londen, in 1908. Deze afstand bedraagt 42,195 km.

Training

De prestatie van een marathonloper wordt voor ongeveer 90 tot 95 % bepaald door zijn uithoudingsvermogen. In hun voorbereiding op de marathon doen de lopers tijdens de eerste weken vooral aan duurlopen aan een lage snelheid. Tussen de twaalfde en achtste week voor de marathon, moeten de lopers intensiever gaan trainen om hun uithoudingscapaciteit te vergroten. Interessant om te weten is dat een marathonloper tweeduizend calorieën nodig heeft om de marathon uit te kunnen lopen.

Er wordt vaak gezegd dat lichtere lopers bevoordeeld zijn in een marathon. De kracht van een lichtere persoon per kilometer zal hoger liggen dan bij grotere en zwaardere lopers. Dus ja, lichtere lopers zijn bevoordeeld. Iemand die 1m80 groot is, zal meer kracht moeten zetten om 16km/uur te halen dan iemand die kleiner en lichter is. Het opvangen van schokken bij lichtere lopers gaat ook beter. Bij hen treedt er minder spierslijtage op, waardoor zij meer wedstrijden per jaar zullen kunnen lopen. Maar niet gevreesd voor de zwaardere lopers, training is de sleutel.

Een groot verschil tussen een marathonloper en lange afstandsloper, is dat marathonlopers korte en zuinigere passen hebben. De knie- en hielheffing zijn geringer. Het afrollen van de voet speelt een belangrijke rol bij marathonlopers.
Wie wil weten of hij/zij een marathon in de benen heeft, laat best een inspanningstest uitvoeren. Deze test kan je in ziekenhuizen in Brussel, Antwerpen, … afleggen. Dit is een looptest op basis van de melkzuurvorming. Met een hartslagmeter om de pols op een loopband wordt vastgesteld hoe het met je gesteld is. Allereerst wordt het toestel op 6 km/u per uur ingesteld, dit moet je dan 5 min. volhouden. Nog eens 5 min. aan 8 km/u, 5 min. aan 8 km/u, 5 min. aan 9 km/u en 5 min. aan 10 km/u. Na elke 5 min. wordt er bloed afgetapt. Een week later krijg je de resultaten.

De inspanningsfysioloog kan op basis van die resultaten een individueel trainingsschema opstellen. Als je basisconditie tekort schiet, moet je beginnen trainen. De uithoudingsgrens is de grens waarbij je aerobe ademhaling niet meer volstaat en moet overschakelen naar de anaerobe. Wanneer je uithoudingsgrens op 8 km/u ligt, moet je gedurende twee of drie maanden drie à vier keer per week lopen.

1) Gedurende een half uur lopen aan een rustig tempo. Je moet kunnen praten met je partner.
2) Gedurende een uur lopen aan een heel traag tempo, dit verbetert je aerobe conditie. Dit is op zich fysiologisch niet zwaar, maar is wel belangrijk voor je spieren, pezen en gewrichten.
3) Gedurende een half uur lopen aan een rustig tempo. Je moet kunnen praten met je partner.
4) Afwisselend snel en traag lopen. Bv. 100 m snel en 20 m traag, dit herhaal je tien keer. Door deze training zorg je ervoor dat je je maximale snelheid langer kan aanhouden.

Om de drie weken mag je je spieren een week laten rusten. Dan moet je slechts een half uur joggen en één keer 1 uur per week heel traag lopen. Dit moet al voldoende zijn om bv. de 20 km van Brussel uit te lopen. De voorbereiding op een marathon moet heel geleidelijk verlopen . In principe is het mogelijk om de voorbereiding te doen in twaalf tot twintig weken, maar dit is niet verstandig. Zo overbelast je je spieren.