Estafette is een sprint met stokwissel. Deze stokjes zijn 28 tot 30 cm lang, ze hebben een doorsnede van 2 cm en wegen 50 g. Bij estafetten bestaat er vaak een grote misvatting. Iedereen denkt dat de estafettewedstrijd gaat om ‘hoe snel lopen de sprinters om de beurt hun 100 m’. De vraag zou moeten luiden ‘hoe snel legt de stok de 400 m af?’ De sprinters geven de stok door in een afgebakende zone van 20 m. Als de wissel buiten deze zone gebeurt, wordt de groep gediskwalificeerd. De aanloopzone bedraagt 20 m. Hoe later de startende atleet de stok ontvangt, hoe beter. Dit is wel riskanter, de kans dat de stokwissel zich buiten de aflossingszone bevindt, is groter. Daardoor zorgen coaches ervoor dat ze hun snelste sprinters als tweede en derde man opstellen. Zij leggen immers de grootste afstand af. (Mits zij midden in de aflossingszone starten.)

Er zijn twee manieren van stokwissel. De meeste ploegen kiezen de eerste: de onderhandse. De andere manier is dan vanzelfsprekend bovenhands. Estafettelopers kunnen eigenlijk niet kiezen in welke hand ze de stok dragen. Niet het reglement beslist dat, wel het gezond verstand. De helft van de wedstrijd wordt in een bocht gelopen. Daar kiest de atleet het beste de binnenkant van de bocht. Als de bochtlopers een goede wissel tot stand willen brengen met de tweede en vierde loper, moeten ze de stok in de rechterhand dragen. Dit heeft dan weer tot gevolg dat de tweede en vierde loper in de buitenkant van de bocht lopen en de stok in de linkerhand dragen. Voor de laatste loper maakt het niet uit, die loopt toch in een recht stuk. Carl Lewis bv, ontvangt de stok als slotloper in zijn linkerhand en brengt deze onmiddellijk naar zijn rechterhand. Dit is eigenlijk onverstandig. De kans dat hij deze stok laat vallen is groot en het wisselen heeft tijdsverlies tot gevolg. Toch doet hij dit, omdat de stok in zijn linkerhand oncomfortabel aanvoelt.

In de 4×100 m zijn er dan weer andere regels. De derde en vierde loper moet goed uitkijken dat hij in de drukte niet tegen andere atleten aanloopt. Daarom wachten ze hun ploegmaat met het gezicht naar de binnenbaan op waardoor ze de stok in de linkerhand ontvangen. De derde loper moet hierdoor de stok van zijn linkerhand naar zijn rechterhand brengen. De tweede loper ontvangt de stok in de rechterhand. De eerste 100 m wordt steeds in banen afgelegd. Hij hoeft dus geen botsing te vrezen. Een 400 m is zwaarder als de 4×100. Hier wordt dus afgesproken dat de aankomende atleet gewoon zijn arm uitstrekt. De volgende loper moet dan maar op zijn hoede zijn.

De Verenigde Staten levert meer goede sprinters op dan andere landen. In ons land was vooral het team van Kim Gevaert, Elodie Ouédraogo, Hanna Mariën en Olivia Borlée bekend. Zij behaalden zilver op de Olympische spelen van 2008.